Aaltine Hoekstra

10 Posts Back Home

De druiven worden duur betaald

Voor onze plaatselijke krant schrijf ik af en toe een aanbeveling/recensie over een boek voor in de rubriek ‘Voor de lezer’. Zoals het vaak met die dingen gaat, kost het an sich niet veel tijd om een stukje tekst op papier te zetten, maar als ik dan weer aan de beurt ben, is het vaak ‘ai, oke, ja, dat moet dan even tussendoor.’ Het helpt bij mij ook niet om zoiets ruim van te voren te vragen, want ik werk toch het beste met deadlines.

Ik zit momenteel behoorlijk met mijn hoofd in de druiven: ik heb vanavond mijn wijnexamen. Ik ben blij dat ik er dan vanaf ben, want ik kan ook over niets anders meer denken en praten.

Toen de rubriek ‘Voor de lezer’ tussendoor kwam, had ik dus eigenlijk gevoel dat ik niets anders kon doen dan leren. Maar goed, wie a zegt moet ook b zeggen, dus ik dacht ik schrijf wel een stukje. Aanvankelijk wilde ik schrijven over Ik was dat meisje van Anne-Mieke Backer in combinatie met Spel en tijdverdrijf van James Salter. Maar dat durfde ik niet zo goed. Ik wist ook niet precies wat mijn aanbeveling dan zou moeten zijn.

En toen had ik een mild erlebnis-moment. The Grapes of Wrath (De druiven der gramschap) van John Steinbeck. Druiven! Akelige druiven!

Het punt met een stukje tekst schrijven is dat je er wel echt even voor moet gaan zitten: er moet structuur in je verhaal zitten, en je moet iets te zeggen hebben. Daarnaast moet ik de hele tijd dealen met gevoelens als, wat bagger, wat slecht, wat langdradig. En dan toch doorgaan, terwijl ik er eigenlijk de brui aan wil geven. Tegelijkertijd weet je dat de krant met een dag of twee in de oud-papierbak belandt, dus waarvoor al die moeite? (Het kan overigens ook een bevrijding zijn, want: met een dag is iedereen het vergeten).

Maar, om mijn aanbeveling voor De druiven der gramschap toch te vereeuwigen, hieronder nog een keer.

Aanstaande maandag heb ik mijn wijnexamen voor de WSET level 2 cursus. Naast algemene kennis over wijngaarden en wijnmaaktechnieken, moet ik ook zo’n 30 verschillende druivensoorten kennen, met hun karakteristieken, (theoretisch dan, blindproeven hoeft nog niet) en weten welke gebieden en villages welke druiven mogen telen. Na dagen van alleen maar bezig zijn met druiven, werd ik een beetje tureluurs van die druiven.

Het kan dan ook niet anders dat ik moest denken aan De druiven der gramschap van John Steinbeck, een boek dat ik een tijdje geleden las, ook al gaat het boek niet per se over druiven.

De druiven der gramschap is scherpe aanklacht tegen sociale en economische ongelijkheid, en het verhaal speelt zich af in Amerika ten tijde van de Grote Depressie, (de economische crisis in de jaren dertig van de vorige eeuw). Alhoewel het verhaal bijna honderd jaar oud is, is het nog verrassend actueel. We volgen de Joads, een familie van 10 personen, die van hun land in Oklahoma worden verdreven en naar Californië trekken in de hoop op een beter leven. Ze kopen van hun laatste geld een grote truck, pakken huis en haard in, opa en oma erbij in, en vertrekken naar het paradijselijke Californië.

In een feelgoodmovie zou dit een opwindende roadtrip kunnen zijn, maar dat is het zeker niet het geval. Dit voelt veel urgenter. Dit is een reis van alles of niets. Want, geen werk betekent geen geld, geen geld betekent geen eten, geen brandstof, geen medicijnen, en zelfs geen geld voor een waardige begrafenis. Voor de Joads is de grens tussen erbovenop komen en ten onder gaan flinterdun.

En toch, toch is dit geen verhaal zonder hoop. Ja, het is hopeloos hoe systemen zo zijn ingericht dat sommigen alles hebben, en anderen niets. Maar dan mag je als lezer mee op reis met de Joads en leer en lees je over menselijke waardigheid en veerkracht in tijden waarin alles verloren lijkt.

Steinbeck maakt mensen van zijn personages. Mensen die normaal gesproken geen stem krijgen: de arbeidsmigranten, de armen, de slachtoffers van uitbuiting. En tegelijkertijd zijn ze zoveel meer dan dat: het is een vader die wil werken voor eten voor zijn gezin. Het is een moeder die wil dat haar kinderen netjes, beleefd en gastvrij zijn tegenover anderen; het is een zoon met dromen en ambities voor een beter leven. Het is een oom die zich schuldig voelt om de dood van zijn vrouw, en tegen beter weten in niet van de drank af kan blijven. Het kan niet anders dan dat je van de Joads gaat houden, en dat doet Steinbeck heel knap.

In de Druiven der gramschap lees je wat het is om mens te zijn in een onmenselijke situatie.

Terug op het honk

Ik ben weer terug op het honk, terug op deze site. Voor iemand als ik die zo stabiel is als een eeuwenoude eik, is dit wel heel wispelturig. Van persoonlijke blog, naar Substack, en weer terug.  

Substack bleek het toch ook niet helemaal te zijn. Ik dacht eigenlijk dat op een platform actief zijn, waarin het vooral draait om schrijven (nieuwsbrieven), dat zoiets inspirerend zou werken.  

Maar dat bleek niet het geval. Het werkte juist averechts.  

Op een platform waar zoveel stemmen zijn, de één nog beter en leuker dan de ander (want, er zijn echt een boel mensen actief met erg interessante nieuwsbrieven), vond ik het best moeilijk om óók wat te publiceren, om ook een geluid te laten horen, want alles was ruk en bagger wat ik schreef. Dus wat deed ik: ik schreef niets.  

Substacks is ook een sociaal medium, waarbij likes en comments gegeven kunnen worden. Dat kan voor zowel korte berichtjes, als voor langere artikelen. En ik zou wel stoer willen doen, en zeggen dat likes mij niet uitmaken, maar dat is niet zo. Ik heb jaren geleden, en recentelijk weer opnieuw, geconcludeerd: ik wil leuk gevonden worden. Er zijn duizenden Nederlanders actief op Substack, als je het al voorzichtig zou nemen, en al die duizenden mensen zijn dus potentiële likes. Dus als je geen likes krijgt, word je potentieel door duizenden mensen niet leuk gevonden.  

En dat drukt zwaar op iemand die leuk gevonden wil worden. En ja, natuurlijk kan ik dit verstandelijk wegredeneren, maar zo is nu mijn conclusie, likes zitten op een dieper gevoelsniveau. Likes hebben niet met het hoofd te maken, maar met het hart.  

Op mijn eigen blog heb ik ook een ‘like’-knop. Geen idee hoe ik eraan kom; het schijnt een plug-in te zijn. Ik denk dat het bij het thema hoort dat ik (eigenlijk een ander) installeerde. Ik kan ook niet zien wie liket, en ik heb ook aan de achterkant van mijn site nog nooit een plek gevonden waar ik die ‘likes’ kan beheren.  

Elk likeje op deze site voelt bijzonder. Als een aardig hoofdknikje. Zo’n gebaar dat je weleens aan iemand geeft als je niet echt iets wil zeggen, maar toch een moment van erkenning wil geven. Zo van, ik zie jou. Subtiel, makkelijk en vriendelijk.  Dus daar waar op Substack elke like voelde als 9999 likes te weinig, voelt op mijn blog elke like als een cadeautje, als een extraatje.

Op een platform als Substack kreeg ik ook steeds sterker het gevoel dat ik mee moest doen met de manier van doen om gelezen te worden. Dat ik een thema moest hebben om over te schrijven, dat het in de vorm van een nieuwsbrief moest zijn, dat het vooral tips of opsommingen moesten zijn, dat het niet te lokaal kon zijn. Hier op deze blog valt dat allemaal van me af. Hier ben ik het gewoon, die dingen schrijft die ik leuk vind. Ik kan niet zien wie liket, ik heb geen idee hoeveel mijn blog gelezen wordt, en dat voelt veel beter.  

De geprezen mannen en de luie moeders in de Urkerland podcast.

Mannen worden vooral opgehemeld in de Urkerland podcast, en als het gaat om vrouwen dan worden het ‘luie moeders’ genoemd.  

Aan het begin van de ochtend, op zo’n tijdstip dat je in het gunstige geval nog twee uurtjes kunt slapen, zette Geert de Urkerland podcast aan om te beluisteren. Vaak vallen we binnen no time weer in slaap met het luisteren naar een podcast. 

Sluimerend slapend was ik dus aan het luisteren, en op enig moment ging het over de 48-jarige Urker die momenteel in voorarrest zit op verdenking van ontucht met minderjarigen. In de podcast ging het over deze zaak en tussen neus en lippen door werd over de verdachte gezegd ‘een man die we kennen als een joviale, positief in het leven staande en serieuze man.’ Alhoewel ik sluimerend luisterde, bleef ik even haken bij deze zin tussendoor. Ik vond het een opmerkelijke zin.  

Vervolgens ging het over Nathanael die afscheid had genomen, en in zijn nieuwe gemeente zo’n mooie toespraak had gehouden, want dat kon hij zo goed, daar was hij zo sterk in. Toen werden er voorbeelden gegeven van mannen over de hele wereld die berichtjes stuurden over hoe graag ze naar de Urkerland podcast luisterden. Meindert van de Bolder werd geprezen omdat hij de beveiliging van de Sinterklaasintocht goed geregeld had. Ben Visser, burgermeester, was een bijzondere man, en wonderkind Wakker – nu ontmaskerd als oplichter – werd nog aangehaald, omdat het Urkerland destijds een jubelverhaal over hem had geschreven in de kerstkrant.  

Ondertussen werd ik steeds wakkerder, omdat ik een patroon opmerkte. Er werden hier wel erg veel mannen genoemd en geprezen.  

Toen kwam het continurooster aan bod.  

Over het continurooster kunnen zinnige dingen gezegd worden. Zeker ook interessante opiniërende dingen. Dat wat je van een nieuwsmedium verwacht. Je zou iets kunnen zeggen over landelijke ontwikkelingen ten opzichte van Urk, je zou kunnen ingaan op basisschool de Vuurbaak, die qua leerlingaantal uit zijn jasje groeit, en dat is niet omdat de gereformeerde kerk vrijgemaakt op Urk sterk groeit in leden. Nee, daar ligt hoogstwaarschijnlijk een heel andere reden aan ten grondslag. Je zou ook serieus kunnen ingaan op de argumenten van de voor- en tegenstanders van het continurooster, en je zou iets kunnen zeggen over het feit dat het eerder regel dan uitzondering is dat beide ouders werken, en dat opvang tussen de middag best een puzzel kan zijn. Allemaal sterke punten waarover een goed gesprek tussen twee journalisten heel goed had kunnen plaatsvinden. Zoals George Saunders in Een duik in een vijver in de regen het meermaals zegt ‘Neem je lezers serieus.’ Luisteraars in dit geval.  

Maar nee, niets van dit alles. Wat werd er wel gezegd? Dat het continurooster iets was voor luie moeders. Om die opmerking, die kennelijk door iemand op facebook was geplaatst, en hier herhaald werd, werd een beetje besmuikt gelachen, en ‘dit vatte het wel zo ongeveer samen.’  

Deze denigrerende opmerking over luie moeders liet me niet los. Vooral ook omdat ik geen luie moeders ken. Ik ken wel moeders die tegen etenstijd letterlijk in slaap vallen, omdat nieuw leven in ze groeit, en ondertussen een kleuter en peuter hebben rondlopen en geen moment op adem kunnen komen. Hoezo lui? Ik ken moeders die de hele middag rondrijden met kinderen voor sport, koor, tandartsafspraken, zwemles, en dit terwijl ze herstellend kraamvrouw zijn en een baby hebben om voor te zorgen. Hoezo lui? Ik ken ook moeders die een betaalde baan hebben, een opleiding volgen, en ondertussen nog een baby krijgen. Ik ken zelfs moeders die affaires beginnen; ik bedoel maar, hoezo lui?  

Al zouden de opmerkingen over luie moeders met een kwinkslag gemaakt zijn, en bedoeld als clickbait, dan nog leggen deze opmerkingen een pijnlijk patroon bloot in de podcast. Mannen worden opgehemeld, en vrouwen bestempeld als lui.  

Van een podcast van een nieuwsmedium mag je toch meer verwachten. Misschien is het schrijven over ballonnenwedstrijden en bingo-avonden al met al niet zo’n gek advies.  

Kaartje triggert traumaresponse

Ik heb een gekke irrationele angst om kaartjes bij iemand door te brievenbus te gooien. Ik heb doorgaans niet veel last van sociale drempels, maar een kaartje door iemands brievenbus gooien dat kan zomaar weken duren voordat ik daar de moed voor gevonden heb.  

Ik verstuur wel graag kaartjes. Iemand een kaartje sturen is een manier om te laten weten dat je aan iemand denkt en dat je meeleeft, in blijdschap of verdriet. Ik denk ook dat je met een kaartje nooit mis kan zitten, omdat je daadwerkelijke moeite moet doen om dat kaartje bij iemand in de brievenbus te krijgen: je moet naar de winkel om een kaartje te kopen, eventueel postzegeltje met envelop erbij, je moet een adres achterhalen, je moet bedenken wát je op het kaartje zet, je moet een pen vinden en tekst schrijven op het kaartje. Terwijl je dat doet, moet je opletten dat je geen taalfouten maakt, en geen vieze vingerafdrukken achterlaat op het kaartje. Daarna het kaartje in de envelop, adres erop, en vervolgens beland ik in een soort bevriezingstoestand. Dat is trouwens mijn trauma-response.  

Zodra er een kaartje netjes in envelop met adres op een zichtbaar plekje in de keuken ligt, dan is het als een schaduw die me maar blijft achtervolgen. Soms belandt een kaartje wel in een tas, of al in de auto, maar de stap om dat kaartje daadwerkelijk door de brievenbus te gooien, kost dagen, zo niet weken.  

Heb je weleens meegemaakt dat je een kaartje in de brievenbus wilt gooien bij iemand, en dat je diegene dan precies op dat moment ook ziet, of tegenkomt? Dát is mijn allergrootste angst. Dat intense ongemak wat ik dan zal voelen op dat moment, dat is wat me altijd tegenhoudt als er weer een kaartje ligt te wachten.  

Als je een zorgvuldig geschreven boodschap op het kaartje hebt gezet, dan is dat wat je die persoon toewenst, maar als je precies op dat moment ook diegene tegenkomt, dan ben je wel genoodzaakt te praten over de reden waarom je een kaartje door de brievenbus wil gooien. Maar daarmee is eigenlijk je boodschap van het kaartje teniet gedaan, want je hebt het zojuist net gezegd. Dan is het dubbelop. En daarmee wordt het ongemakkelijk. Want, je neemt je kaartje niet weer mee terug naar huis, zo van: oké, je krijgt het kaartje niet. Dus wat overblijft, is wel dat kaartje overhandigen, maar dat is knullig, want je hebt het zojuist al gezegd. Wat zeg je dan vervolgens?  

Er zit niets anders op dan mijn zuinigheid opzij te zetten, een postzegel te kopen, en kaartjes via de post te versturen. Angst omzeild.  

(Gelukkig heeft mijn wederhelft geenszins last van deze angst; die zwaait gewoon vrolijk naar huiseigenaren in pyjama, terwijl hij zonder scrupules kaartjes door brievenbussen gooit!) 

Eén-auto-obstakels

Vanochtend reed ik in de Opel van m’n moeder naar Emmeloord, waar we gingen ‘chinezen’ met de familie ter ere van m’n vaders verjaardag. Gelukkig hadden m’n ouders 3 auto’s ter beschikking, waar ik eentje uit mocht kiezen.

We proberen natuurlijk toe te kunnen met één auto, en alhoewel ik Geert alweer hoorde praten over volgende week even proefrijden in een auto, gaat het eigenlijk dikke prima. Er wordt gewoon veel gefietst.

Vanochtend hadden we echter een logistieke uitdaging op te lossen. Kalle moest uit voetballen, en wij waren aan de beurt om te rijden. FG moest ook uit, maar daar hoefden we niet voor te rijden, gelukkig. En we gingen met de familie Van den Berg om 12 uur eten in Emmeloord. ‘Een lange tafel achterin is nooit verkeerd.’ Zo’n etentje.

Normaal gesproken moeten de jongens mega vroeg voetballen, maar nu moesten ze krek rond 10.00u vertrekken. Dus Geert ging met Henk de tank op pad, en ik zat te bedenken hoe ik om 12.00u in Emmeloord kwam.

Ik verdaagde met lijn 141 naar de Chinees.

Nee grapje. Het toeval wilde dat FG rond 11.45 klaar zou zijn met z’n wedstrijd in Emmeloord, dus als ik een auto zou hebben of als ik met iemand kon meerijden, dan konden we die meteen oppikken.

Binnen de familie werden 1 a 2 zitplekken in auto’s aangeboden, maar ik had er natuurlijk 3 nodig. Maar dat had wel opgelost kunnen worden, maar ik ken mn pappenheimers ook, en daarom het leek me handiger als ik gewoon zelf naar Emmeloord kon rijden om FG op te halen.

Maar, ik houd er niet zo van om een beroep te moeten doen op andermans auto, terwijl we zelf terug zijn gegaan van 2 naar 1. Maar zo bedacht ik, dit is een uitzonderlijke situatie (we eten bijna nooit op zaterdag overdag buiten Urk, en rijden voor voetbal is ook niet wekelijks, en dan krek ook nog laat).

Dus ik durfde het wel aan op m’n moeders rode snelheidsduiveltje te vragen (die maakte er verder geen punt van), en zo tufte ik zeer dankbaar richting Emmeloord.

Voor m’n schoonouders

Ik had natuurlijk ongeveer een maand lang niets geschreven. Dat had verschillende redenen, maar onderaan de streep komt op het simpel neer op: ga je even zitten en wat typen, of niet. Ingewikkelder dan dat is het niet.

Ik heb niet zoveel lezers, dat denk ik. En dat is fijn, want dan zijn de verwachtingen ook niet hoog. Wel of niet schrijven, het maakt niet zoveel uit.

Maar ik heb in ieder geval twee lezers, een echtpaar, m’n schoonouders, die af en toe noemen dat het rustig op m’n blog is. En dan mompel ik wat over jaja ik zou weer eens wat moeten schrijven inderdaad.

Vorige week hadden we weer zo’n gesprekje, en m’n schoonmoeder zei, ja, we kijken elke dag even.

En dat trof me. Plotseling zag ik m’n schoonouders ontwaken, de wekker gaat, ze stappen uit hun prachtige aanbouwslaapkamer met uitzicht op de tuin en vijver, de keuken in, zetten koffie en ondertussen halen ze de Stentor uit de brievenbus. M’n schoonmoeder schenkt koffie in, en gok zo dat ze haar leesbril opzet, de iPad erbij pakt, en wat langs verschillende nieuwssites bladert. Telegraaf, Facebook, en misschien nog wat golfnieuws. Uit gewoonte gaat ze naar m’n blog, en keer op keer is daar niks nieuws.

O, de teleurstelling, die voelde ik vorige week. Eén schoondochter hebben ze, mij, en ik laat ze de dag starten met een teleurstelling. Met een leegte. O, wat erg, wat doe ik ze aan! En ik kon dat maar niet van me afzetten.

Niet omdat me dat gevoel werd aangepraat, maar omdat er elke dag opnieuw twee mensen zijn die graag iets van je lezen.

En daarom, is vandaag deze blog voor jullie!

Meet Henk de Tank

Henk de tank

We hebben onze twee auto’s weggedaan, en er eentje voor in de plaats teruggekocht. Een tank. Een zevenzitter. Het is zoiets als de seks eruit, lepeltje lepeltje slapen erin. (Een Volvo XC 90 T8 voor de liefhebber). We werken allebei op hoogstens 10 minuten fietsen van ons werk, kinderen gaan op de fiets naar school, dus eigenlijk was het onnodig om twee grote auto’s voor de deur te hebben. We hebben al eens eerder een zevenzitter gehad, en qua ruimte was dat fantastisch!

Dat we nu een auto moeten delen, is even wennen, op een grappige manier. Er is tussen ons nu een soort nieuwe competitie ontstaan wie het minst de auto nodig heeft, wie het het minst erg vindt om te fietsen.

Toen ik nog standaard over een auto beschikte, fietste ik eigenlijk al het meest van de tijd. Geen probleem dacht ik dus om terug te gaan naar 1 auto. Maar toen ik vorige week van huis naar werk, van werk naar basisschool, van basisschool terug naar werk, van werk naar oude bakkerij, van oude bakkerij weer terug naar werk, en van werk weer naar huis moest fietsen, voelde dat toch anders.

Gelukkig had ik tijdens al die fietskilometers genoeg tijd om na te denken over waarom dít fietsen toch anders aanvoelde dan het fietsen dat ik hiervoor deed.

Ik concludeerde dat het te maken had met vrije keuze vs verplichting. Toen ik nog een auto had, was het een vrije keuze om op de fiets te stappen, en de auto niet te gebruiken, en dat gaf een goed gevoel. (Iets waar ik nog meer genoegen in schep is om tegen anderen te beginnen over waarom ze vredesnaam op een elektrische fiets fietsen! O, wat heb ik me hier al ongeliefd mee gemaakt. Maar dat is iets voor een andere blog). Maar nu ik fiets uit verplichting, óók als het regent, voelt dat toch anders. Minder verheven, meer alledaags. Het bewuste betekenisvolle is er vanaf. Het is nu zwoegen, zweten en zwalken over de weg.

En, is dat erg? Nee, helemaal niet. Ik zal fietsen tot ik een ons weeg. En áls ik dan eens de auto pak, zet ik lekker stoelverwarming en -massage aan, stuurverwarming desgewenst, lekker muziekje of podcast, kinderen zitten mijlenver uit elkaar, dus geen geëtter achterin, en dat, dat is pas genieten.

Toch nog competent

Er was een tijd dat ik me incompetent voelde. Dat gevoel komt in vlagen; soms is het er, en dan verdwijnt het ook weer. Natuurlijk, ik kan heus wel dingen, maar ik kan geen lamp aansluiten, of een wasmachine repareren, en ik snap al helemaal niks van elektriciteit.

Maar ik heb afgelopen jaar toch wel echt geprobeerd iets met dat gevoel te doen. En alhoewel ik maar een paar voorbeelden kan bedenken van vaardigheden die ik ontwikkeld heb: iets is toch beter dan niets. Ik kan nu een beetje zeilen, en ik kan de sproeiers in de tuin handmatig aanzetten. Per zone zelfs, en ingesteld op tijd. Ik weet hoe ik vuur moet maken; ik heb de muren in huis geverfd en heb eens een hoogslaper in elkaar gezet (met hulp, dat wel).

Toch bleef er een latent gevoel van incompetentie aanwezig. Soms kun je de grote dingen des levens niet aan, en soms kunnen futiele zaken je een incompetent gevoel geven.

Het lukte me maar niet om goede korte broeken te kopen. En inderdaad, hoe moeilijk kan dat zijn, hoor ik je denken.

Nou moeilijk. Ik ken m’n lichaam goed: ik weet wat me staat, en wat niet. En toch kocht ik de ene miskoop na de andere. Te kleine maat, te grote maat, te strak, te slop, te doorschijnend, te kinderachtig, te bejaard. Dan had ik er weer chloorvlekken op, dan sprong de knoop eraf. Er kan veel mis zijn aan een korte broek.

Tot deze zomer. Ik kocht er drie tegelijk, goedkoop, bij een fastfashionketen. En alledrie waren ze precies wat ik altijd al zocht in een korte broek. Neutrale kleuren, high waist, bandplooien, riemlussen, elastiek in de rug, broekzakken, katoen en elastaan, wide leg.

Het is gewoon ongelofelijk. Ongelooflijk competent gevoel heb ik nu.

Zeilen #2: Zeilles aangeboden gekregen

Na ons eerste (solo) zeildebacle moesten we toch weer de moed vinden om opnieuw het water op te gaan. Maar, bij zeilen draait alles om vooruit plannen, dus we hadden nu Klaas Post op speed dial staan, mocht het weer misgaan. 1x het Urkerland halen is wel genoeg.

Na een dag of wat na het knrm-incident vonden we dat het nodig was om weer opnieuw te moeten gaan zeilen. Anders zouden we nooit meer gaan. Veel beter dan de eerste keer keken we nu naar de windkracht. En ons plan was nu: haven uitvaren, boot voor anker, zeilen op, zeilen neer, anker ophalen, en weer terug.

Dit deden we terwijl de hele zeilvereniging in ‘ut ukkien’ zat, en met veel belangstelling volgde wat we deden. (‘Ze zitten weer te knaken,’ was de samenvatting geloof ik.)

We kwamen terug de jachthaven in, (nog steeds niet gezeild), maar blij met de babystapjes die we gemaakt hadden. Iemand van de zeilvereniging kom het denk ik niet langer aanzien dat we nog steeds niet gezeild hadden, en bood ons zeilles aan. Halleluja.

Navigate