Divers

Geur en smaak

Met de boekenclub lezen we Het parfum van Patrick Süskind. Het gaat over een verstoten figuur met een bovennatuurlijke ontwikkelde reukzin.

Toen ik op dit boek stuitte, werd ik getriggerd door het verhaal over iemand die buitengewoon goed kan ruiken. Overigens ook weer een mooi nieuw woord geleerd: olfactorisch. Olfactorisch. Olfactorisch. Betrekking hebbend op de geur.

Dit thema bracht me terug naar coronatijd, toen ik thuiszat met corona. Aangezien niemand echt interesse heeft in coronaverhalen, vind ik het mooi om vanaf deze plek mijn verhaal te delen over hoe tijdens corona mijn leven haar glans verloor, omdat ik geen geur en smaak meer had.

Ik was verder niet echt ziek, beetje snotterig en wat hoofdpijn, maar daardoor kon ik me volledig focussen op de klachten die ik wel had: ik rook niets meer, en ik proefde niets meer.

Koffiedrinken bekoorde me niet meer, en ik realiseerde me hoezeer ik kan genieten van een kopje koffie, 6x per dag.

Van eten klaarmaken en opeten was de lol eraf, want ik werd niet in de stemming gebracht door de geuren, en in m’n mond was het gewoon een smakeloze drab.

Toen ik m’n jongste verschoonde, zaten m’n handen onder de poep, want kennelijk werkt geur ook als een natuurlijk waarschuwingssignaal. En dat was ik nu helemaal kwijt.

Geen geur, en geen smaak. Geen idee had ik dat het normaal gesproken zoveel moois aan het leven toevoegt.

In Het parfum is het niet zozeer het visuele of auditieve dat mensen betovert of onderbewust stuurt, maar het olfactorische; en ik kan daar wel in meegaan.

De afgelopen dagen

Afgelopen weekend vroeg mijn zusje ‘en heb je een drukke week voor de boeg?’ Ik zei van niet. Nee, lekker rustig.

Les 1: zoiets nooit uitspreken.

Maandag om 08.00u kwam onze directeur op me af om te vragen of ik even tijd voor haar had. Ik dacht ‘dit is het einde, nu word ik ontslagen.’ (natuurlijk niet echt, ik geloof ook niet dat daar aanleiding voor is, maar zo voelde het).

Ik kreeg het verzoek om déze week iets voor elkaar te krijgen, iets wat ik moest prioriteren boven al het andere. Aangezien ik wel lekker werk onder druk, ben ik ijverig aan de slag gegaan.

En ik realiseerde me wederom hoeveel je eigenlijk wel niet gedaan kunt krijgen in een week. Ik geloof dat Rick Pastoor in zijn Grip daar ook iets over zegt. Als je werkt alsof je aan het eind van de week met vakantie gaat, dat lukt het ineens wel om alle losse eindjes af te werken. Alsof je dan veel doelgerichter werkt.

Maar goed, wat ik me ook realiseerde: het is ook een beetje saai. Of eentonig. Al m’n tijd, energie en aandacht ging deze week op aan die ene taak, waardoor er weinig ruimte (in m’n hoofd) overblijft voor andere dingen. Verhalen bijvoorbeeld, of stukjes tekst typen, komen op als je lege ruimte in je hoofd hebt, als je de tijd hebt om even een paar uur te niksen. En je moet toch ook even ruimte scheppen om je te verwonderen en op gedachten komen. Dat is ook leuk, en het is iets van jezelf.

Volledig gefocust zijn op een taak geeft een kick als het lukt binnen de gestelde deadline. Maar dagelijks tijd maken voor verwondering geeft meer voldoening.

Wie ben je?

Ik heb eens flink nagedacht. Ben ik online dezelfde persoon offline? Bij tijd en wijle komt deze vraag bij me op, en ik vind het interessant om over na te denken, want onze (non verbale) communicatie geschiedt grotendeels ook digitaal, en da’s toch echt anders dan in de werkelijkheid, dus ben ik digitaal dezelfde zoals ik ook in het echt ben?

Zo ken ik iemand die in de werkelijkheid introvert is, liever op de achtergrond en in groepen nooit het hoogste woord zal nemen. Online is deze persoon veel expressiever in uitingen. Veel uitroeptekens gebruiken in zinnen, veel suggestieve puntjes ook. Zo’n verschil is grappig om te zien, en het doet me afvragen of ik dat ook heb.

Eén van onze kinderen gebruikte vorige week taalgebruik digitaal waar ik drie dagen van slag door was. (Allemaal netjes opgelost met excuses aanbieden, straf, verboden, het hele ratteplan). Maar ook daarvan vraag ik me af, heeft het kind wel door wat het eigenlijk zegt, en hoe het overkomt, en wat voor impact het heeft? Ik zou echt verbaasd (en wederom van slag) zijn als ik mijn kind dat soort taalgebruik in de werkelijkheid tegen een ander zou gebruiken.

Ik doe dus wel mijn best om in beide gevallen dezelfde te zijn, op de één of andere manier vind ik dat belangrijk. Maar laatst begon ik een beetje te twijfelen aan mezelf – dat doe ik gelukkig zowel online als offline .

Woordenlol

Toen ik nog op de IVA werkte, was een onderdeel van ons curriculum de woordenschat vergroten. Dat deden we met een methode ‘Goed Gebekt’ waar door de studenten natuurlijk steevast de letter ‘k’ werd verwisseld door de letter ‘f’. Hilariteit alom.

Wist je trouwens dat een (nieuw) woord zeven keer (in verschillende contexten) moet terugkomen om het te laten beklijven? Zeven maal. Dat is wetenschappelijk onderzocht, en laat het nou ook eens het getal van de volheid zijn.

Maar terug naar de woorden. Ik probeerde weleens uit te leggen waarom het zo goed is om een uitgebreide woordenschat te hebben (los van het feit dat je meer snapt als je meer woorden kent). Maar dat lukte maar halfjes. Ik kwam er vooral achter dat ik zelf zo kan genieten van woorden die precies datgene uitdrukken wat je bedoelt of voelt.

Daarom ben ik ook maar gestopt met lesgeven.

Maar neem nou verkneukelen. Dat gevoel dat je een binnenpretje hebt, en daar de hele dag plezier van kan hebben. En dat daar dan ook gewoon precies een goed woord voor is.

Het Urkers heeft ook van die mooie woorden. Een vriendin gebruikt het woord ‘skoftig’ geregeld. Iets wat op het randje is, maar waar je toch ook stiekem om moet lachen. Een collega had het over ‘suuzige’ (geen idee of ik het goed schrijf). Maar dat je een beetje koekoek bent door overprikkeling, en daardoor in een staar voor je uit kijkt. Beetje als soezelen, maar dan specifieker. Mooi is dat toch.

Laatste alinea dan. Vandaag schreef ik een passief agressieve mail. En daar had ik veel lol in, want ik was mijn woorden zo aan het wegen dat het serieus moest overkomen, maar dat in principe er eigenlijk het sarcasme van afdroop (alleen dat mocht de ontvanger niet ‘voelen’.) Een woord, een zinsnede kan dan het verschil maken. Dat spel met taal vind ik zo leuk.

Alleen het levert niks op, want ik verkneukelde me al over de reactie terug, maar dat was een automatisch reply dat de mail pas in september gelezen zou worden. Krek.

Verkleinwoordjes

Dit blogje schrijf ik op verzoek. Ook wel eens makkelijk. De woordjes zijn van mij, maar het thema is aangedragen.

Een Urker mag graag woorden verkleinen. Een huis wordt een huisje, een camper wordt een campertjen, en een tuin wordt een tuintje.

Ik heb daar de volgende theorie over: op Urk proberen we allemaal aan de dezelfde standaard te voldoen (wat deze is, fluctueert denk ik, maar ik denk ook dat de meeste native inwoners wel een gevoel hebben bij wat deze standaard is).

Maar teveel boven de standaard uitsteken is niet de bedoeling, beter is het om een beetje in de luwte te blijven, en te doen wat de gemiddelde mens doet. Daar helpen verkleinwoorden ook bij: verkleinwoorden zwakken de betekenis af.

Verkleinwoorden gebruiken in deze context heeft in ieder geval nog een culturele functie.

Wat niet te verteren is en ook nergens voor nodig is, zijn volwassen mensen die zonder reden verkleinwoorden gebruiken. Neem bijvoorbeeld mensen die het hebben over ‘centjes verdienen’, of nog erger, ‘geldjes.’ Dit zijn bij voorbaat al mensen die nooit boven het modaal zullen uitkomen.

Of iemand die zegt ‘ik heb een vrouwtje’ of ‘geef me je handje.’ En let wel, dit zijn voorbeelden van volwassenen (tegen volwassen).

Als het ooit nog eens verkeerd met de mensheid afloopt, dan was dit het teken dat de ondergang werd ingezet.

Dooienlijst

Ik heb een dooienlijst.

Een lijst waar ik iemand op zet als ik vind dat ik ‘onheus wordt bejegend’. Wanneer ik iemand op die lijst zet, dan steek ik geen energie meer in die persoon. Het scherm wordt zwart. Oh heus, ik ben aardig en vriendelijk, maar het is niet écht.

Zo’n dooienlijst werkt lekker. Voor mij is het overzichtelijk, en voor de ander is er niets aan het handje.

M’n dooienlijst gaat overigens niet op voor familie en vrienden, want dat zijn degenen met wie je graag wilt dat het goed is. Die zijn de moeite waard om lastige gesprekken mee te voeren.

De dooienlijst is voor degenen met wie je wel in meer of mindere mate dagelijks te maken hebt, maar die je niet per se tot je inner circle rekent.

Maar nu is er een kink in de kabel.

Afgelopen jaar had ik iemand op m’n dooienlijst gezet. De koek was op, de maat was vol, en echt, ik had m’n best gedaan, maar het was alleen maar geven, en niets terugkrijgen.

(Uiteindelijk is zo’n dooienlijst natuurlijk een mechanisme om jezelf te beschermen tegen teleurstelling, weet ik heus wel).

Alleen diegene doet nu compleet anders tegen mij. Vriendelijk, vrolijk, begripvol, coöperatief. Help!

Wat moet ik nu? M’n systeem wankelt!

Langer samen dan los van elkaar

Langer samen dan los van elkaar geweest.

21 juni zijn we 12,5 jaar getrouwd, en alhoewel getallen me niet zoveel doen, merk dat ik er veel aan denk. Ik bedoel, we komen nu ook in het kerkenblad. Dat is toch wel een volwassen mijlpaal.

We zijn van de zomer 12,5 jaar getrouwd, maar we zijn al veel langer samen. We zijn al langer samen dan we ooit los van elkaar zijn geweest. 20 jaar. Er is niemand die ik beter ken dan Geert, en niemand die zo verweven is met mijzelf. Elke dag weer een beetje meer om van te houden.

We waren afgelopen zaterdag een locatie aan het bekijken voor ons feestje van de zomer, en in eerste instantie kon dat niet daar, want er was de 21e ook al een trouwerij. Toen ze begrepen dat wij niet in trouwkleding zouden verschijnen, kon het wel. ‘Want,’ zo zeiden, ‘we hebben de regel dat we één trouwerij per dag doen, zodat het speciaal voor de bruid en bruidegom blijft.’ Prima, kunnen we inkomen.

Even later zaten we een beetje te mijmeren, en min of meer tegelijkertijd bedachten we (enigszins verontwaardigd) dat trouwen eigenlijk helemaal niet zo speciaal is.

Trouwen is makkelijk. Je bent verliefd, je bent vol goede moed, je hebt nog geen leven lang samen gedeeld.

Wat wel speciaal is, is dat je al 12,5 jaar je leven met elkaar deelt. (Dat is verder ook geen moeite hoor met jou Geert, hartje hartje kusje kusje).

Dat je van geliefden ook samen ouders wordt en kinderen opvoedt en een huis houdt. Dat het dagelijks leven vaak niet opwindend is, en vol zit met taken en verantwoordelijkheden waar je niet per se om gevraagd hebt. Maar om elkaar dán niet kwijt te raken, om elkaar te blijven zien en te horen, dat is het echte werk.

Niet betaalde werkdag

Man man man man. Waarom kan ik niet gewoon op de vraag ‘En, heb je morgen al lekker weekend?’ antwoorden met ja.

Een oppervlakkige vraag als manier om een gesprekje te voeren tijdens een brainstormsessie.

Gewoon zeggen ‘Ja, lekker weekend. Nee, geen speciale plannen, lekker rustig aandoen. En jij? Heb jij al lekker weekend?’ Zo moeilijk is het allemaal niet.

Maar nee, nee ik moet weer prediken dat ik wel vrij heb, maar dan tussen aanhalingstekens, want op de dagen dat ik niet werk, niet betaald werk dan hè, (zeg ik er nog even expliciet bij) ben ik vaak nog drukker, druk met huishouden en gezin, ja, alle dingen waar ik niet aan toe kom, wanneer ik ‘werk’, moet ik op die dag doen. Boodschappen, de was, tandartsbezoekjes, alle speelafspraakjes van de kinderen. Dus terugkomend op je vraag, morgen heb ik een niet betaalde werkdag.

Man man man man. Ik geloof dat ik het vriendelijk bedoelde praatje helemaal doodgeslagen heb.

Verkneukelen

Terwijl ik naar huis fietste, was ik me compleet aan het verkneukelen over welke superlatieven ik naar vriendin A zou sturen over het feit dat …. ‘hoi’ tegen mij had gezegd.

Deze specifieke persoon kennen wij van vroeger, en het is mijn gewoonte om iemand die ik, al is het vagelijk, ken, gedag te zeggen.

Deze persoon, die nu wél halfslachtig hoi zei, ziet me normaal gesproken wel, loopt wat rood aan, en op het moment dat ik een hap lucht neem om hallo te zeggen, draait ze haar gezicht weg, en laat mij al luchthappend als een vis op het droge achter.

Hartgrondig zijn A en ik het er over eens dat het geen enkele moeite kost om hallo tegen iemand te zeggen. Vooral als je diegene kent. En op Urk ken je elkaar al gauw, omdat iedereen weleens een klasgenoot van je is geweest, een teamgenoot, een buur of een bekende van familie of vrienden.

(Het heeft me jaren training gekost om iemand die ik (min of meer) ken, recht in de ogen aan te kijken en geen hallo te zeggen. Het druist tegen al mijn principes in, maar ik kan het nu wel. Keihard.)

Je kunt gewoon hallo zeggen, immers? Je ziet elkaar toch? Wat voor twee gewone zielen uit Urk een favoriet gespreksonderwerp is, dat was voor journalist Charlotte Boström ook een microrevolutie: gedag zeggen tegen de mensen in je omgeving. Het levert alleen maar voordelen op.

Hallo zeggen is een bevestiging van je bestaan.

Navigate